BurpeeTalk Original
De kunst van het coachen
Wat maakt een CrossFit-coach werkelijk goed? Niet het vermogen om meer training voor te schrijven, maar het vermogen om precies te zien waarom een atleet stagneert.
Tijdens een uitgebreid gesprek met Josh Godinez van HWPO Training en Brute Strength-coaches George en Elliott viel één ding direct op: hoe weinig topsportcoaching lijkt op de manier waarop veel CrossFitters ernaar kijken. Waar sporters vaak denken in termen van harder trainen, meer volume of extra sessies, denken coaches op hoog niveau vooral in problemen, patronen en prioriteiten.
De aanleiding voor het gesprek was een fictieve atlete met ambitieuze doelen. Ze wilde een clean van 100 kilo, een snatch van 80 kilo en uiteindelijk een plek in de top tien van de Torian Pro, het semifinalevenement voor de Oceanië-regio. Op tafel lag een indrukwekkende verzameling gegevens: krachtcijfers, olympische lifts, gymnastiekbenchmarks en conditionele testen.
Voordat ook maar één trainingssessie werd voorgeschreven, begonnen de vragen al.
“Hoeveel CrossFit-ervaring heeft ze eigenlijk?” vroeg Godinez. “Twee atleten kunnen exact dezelfde cijfers hebben, maar totaal verschillende problemen.”
Het bleek een terugkerend thema in het gesprek. Data zijn essentieel, maar zonder context blijven het slechts cijfers op papier.
Eerst begrijpen, dan programmeren
De fictieve atlete had een opvallende achtergrond. Ze speelde jarenlang basketbal en netbal, liep veel als jonge atlete en bracht vervolgens acht jaar door in de bodybuildingwereld voordat ze de overstap maakte naar CrossFit. Daarnaast had ze al twee keer deelgenomen aan een semifinal.
Dat laatste maakte haar profiel interessant.
Ze was geen beginner die nog grote algemene stappen kon zetten. Ze bevond zich in een fase waarin vooruitgang steeds moeilijker wordt en waarin kleine tekortkomingen grote gevolgen kunnen hebben op de wedstrijdvloer.
Voor Elliott begint de analyse in zo’n geval vrijwel altijd hetzelfde.
“Ik doe eigenlijk gewoon heel veel rekensommen.”
Dat klinkt eenvoudiger dan het is.
De coaches vergelijken voortdurend cijfers met elkaar. Hoe verhoudt de front squat zich tot de back squat? Ligt de deadlift waar die zou moeten liggen? Hoe sterk is de strict press ten opzichte van het lichaamsgewicht? Welke verhoudingen wijken af van wat je bij een elite CrossFit-atleet verwacht?
Bij deze atlete sprongen twee zaken direct in het oog.
Haar deadlift bleef achter ten opzichte van haar squatkracht. Daarnaast bleven haar bench press en strict press achter bij de verwachte waarden.
Dat leverde meteen enkele trainingsprioriteiten op.
Maar het interessantste inzicht kwam ergens anders vandaan.
Sterk genoeg, maar niet explosief genoeg
Toen de coaches haar absolute kracht naast haar olympische lifts legden, ontstond een veel duidelijker beeld.
Op papier was de atlete sterk. Haar squatcijfers waren uitstekend, haar bovenlichaam was goed ontwikkeld en ze beschikte over een solide krachtbasis. Toch vertaalde die kracht zich onvoldoende naar haar clean en snatch.
“Kracht plus snelheid creëert power,” zei Elliott.
Dat onderscheid bleek cruciaal.
Veel CrossFitters denken dat sterker worden automatisch leidt tot betere prestaties. Maar volgens de coaches is dat slechts de helft van het verhaal. Een atleet kan voldoende kracht bezitten, maar alsnog tekortschieten wanneer die kracht niet snel genoeg geproduceerd wordt.
Ook andere cijfers wezen in die richting.
De atlete noteerde relatief lage waardes op explosieve inspanningen zoals korte bike-sprints. Haar power clean bleef achter ten opzichte van haar squatcapaciteit. En hoewel haar techniek volgens de coaches verzorgd oogde, zat er nog steeds een duidelijke kloof tussen haar krachtpotentieel en haar prestaties op de wedstrijdvloer.
“Ze heeft de kracht al,” concludeerde Godinez. “Nu moet ze leren die kracht te gebruiken.”
Dat veranderde meteen de mogelijke oplossingen.
In plaats van simpelweg meer gewichtheffen, kwamen onderwerpen als sprinttraining, sprongvariaties, sledwerk en explosieve krachtontwikkeling op tafel.
De moeilijkste taak van een coach
Opvallend genoeg draaide een groot deel van het gesprek niet om trainingsschema’s, maar om psychologie.
Wat gebeurt er wanneer een atleet ergens heilig in gelooft, terwijl de data iets anders vertellen?
Het is een situatie die iedere coach herkent.
Een atleet kan ervan overtuigd zijn dat conditie de beperkende factor is, terwijl de cijfers laten zien dat krachtontwikkeling veel belangrijker is. Of juist andersom.
Volgens Godinez is dat één van de lastigste onderdelen van coaching.
“Je wilt de data volgen, maar uiteindelijk moet de atleet ook geloven in het proces.”
Daar zit volgens hem een voortdurende balans. Soms moet een coach een atleet overtuigen. Soms moet hij uitleggen waarom bepaalde keuzes worden gemaakt. En soms krijgt een atleet bewust een trainingsonderdeel dat misschien niet de hoogste prioriteit heeft, maar wel vertrouwen geeft in het grotere geheel.
Elliott herkende dat dilemma direct.
Een spreadsheet voert immers geen trainingen uit.
Mensen doen dat.
En mensen brengen emoties, twijfels en overtuigingen mee.
Waarom maatwerk zo ingewikkeld is
Naarmate het gesprek verderging, werd steeds duidelijker waarom individuele programmering zoveel expertise vraagt.
Bij iedere beslissing ontstaat een kettingreactie.
Meer deadliften kan de kracht verbeteren, maar ook vermoeidheid veroorzaken die invloed heeft op olympisch gewichtheffen. Extra sprintwerk kan explosiviteit ontwikkelen, maar tegelijkertijd herstelcapaciteit opslokken. Een grotere focus op techniek kan ten koste gaan van andere kwaliteiten die eveneens aandacht verdienen.
Van buitenaf lijkt een persoonlijk programma vaak slechts een verzameling oefeningen.
Voor een coach vertegenwoordigt het iets heel anders.
Een reeks afwegingen.
Dat werd misschien nog wel het best zichtbaar toen de drie coaches live begonnen te bouwen aan een trainingsweek voor de fictieve atlete. Binnen enkele minuten ontstond een discussie over deadliftvariaties, snatchfrequentie, krachtontwikkeling, gymnastiekprioriteiten en energiesystemen.
Niet omdat ze het niet met elkaar eens waren.
Maar juist omdat er meerdere goede oplossingen mogelijk waren.
Meer denken, niet meer trainen
Aan het einde van het gesprek bleef vooral één gedachte hangen.
Veel CrossFitters zoeken vooruitgang door meer te doen. Meer volume. Meer metcons. Meer uren in de gym.
De coaches dachten precies andersom.
Hun eerste vraag was niet hoeveel werk toegevoegd moest worden.
Hun eerste vraag was welk probleem opgelost moest worden.
Voor atleten die de stap willen zetten van goed naar uitzonderlijk, zit daar misschien wel de belangrijkste les. Op hoog niveau draait succes zelden om harder werken dan de concurrentie.
Het draait om begrijpen waar de echte beperking zit en vervolgens de discipline hebben om daar consequent aan te werken.
Dat klinkt eenvoudiger dan het is. Maar na een uur luisteren naar drie van de meest ervaren coaches uit de CrossFit-wereld werd één ding duidelijk: de beste programma’s ontstaan niet uit meer training, maar uit beter denken.








